



1 Korinthe 12:7-11
7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen
oorbaar is.
8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander
het woord der kennis, door denzelfden Geest;
9 En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der
gezondmakingen, door denzelfden Geest.
10 En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander
onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander
uitlegging der talen.
11 Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk
in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.
1 Korinthe 13:1
1 Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
1 Korinthe 14:1-19
1 Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij
moogt profeteren.
2 Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want
niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.
3 Maar die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en
vertroosting.
4 Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert die
sticht de Gemeente.
5 En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij
profeteert; want die profeteert, is meerder dan die vreemde talen spreekt,
tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.
6 En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nuttigheid
zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in
profetie of in lering?
7 Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer,
zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op
de fluit of op de citer gespeeld wordt?
8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg
bereiden?
9 Alzo ook gijlieden, indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft,
hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in
de lucht spreekt.
10 Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen
derzelve is zonder stem.
11 Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt,
barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.
12 Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat
gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.
13 Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge
uitleggen.
14 Want indien ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn
verstand is vruchteloos.
15 Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het
verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het
verstand zingen.
16 Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats
eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet,
wat gij zegt?
17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.
18 Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij allen;
19 Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand,
opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde
taal.
1 Korinthe 14:22-25
22 Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven,
maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die
geloven.
23 Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde
talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet
zeggen, dat gij uitzinnig waart?
24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame,
die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.
25 En alzo worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzo, vallende
op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk
onder u is.
Handelingen 2:1-13
1 En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen
eendrachtelijk bijeen.
2 En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een
geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
3 En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een
iegelijk van hen.
4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met
andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke
dergenen, die onder den hemel zijn.
6 En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want
een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet,
zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileërs?
8 En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren
zijn?
9 Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en
Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.
10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene
ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods
spreken.
12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen
den ander: Wat wil toch dit zijn?
13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Handelingen 10:44-47
44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het
Woord hoorden.
45 En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen
waren, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen
uitgestort werd.
46 Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen
antwoordde Petrus:
47 Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke
den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?
Handelingen 19:6-7
6 En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en
zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.
7 En alle dezen waren omtrent twaalf mannen.
Marcus 16:16-18
16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die
niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn
Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen
drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en
zij zullen gezond worden.